

Maya Roest, Ralitza Malehounova, Julia Wassink, Chiara Mezzadri, Mélanie Oger & Leslie Humbert
in TWOOLS at the OperaEen enkele uitzondering daargelaten was de 75 minuten non-stop-dans in Twools exclusief voor het Rotterdamse publiek. Nu gaat Twools echter het land in, met de opera in een concept van eeuwige rebel Hans Tuerlings.
De rode draad in Twools werd ooit gevormd door pinguïns. Voorts zijn er nog Schotse hoogland-spelen geweest, een enorme gedekte tafel, iets met Sparta versus Feyenoord en zo zijn er in elf edities van TWOOLS zeer uiteenlopende, maar altijd even opvallende elementen geweest die de dansstukken aan elkaar monteerden. En of die elementen nu functioneerden als echte rode draad, of als danstheatrale montagekit doet er eigenlijk niet toe, want TWOOLS is altijd een heerlijke speeltuin geweest voor het gezelschap, voor zowel de choreografen uit eigen huis als de gastchoreografen. Alles kan, alles mag, als de stukken maar kort zijn en samen met bovenvermelde rode draad 75 minuten non-stop-dans opleveren. Die speelse atmosfeer en inhoud maakt dat de vaste seizoensafsluiter ieder jaar weer bomvolle zalen trekt.
Voor de twaalfde editie van TWOOLS werd het fenomeen opera eerst bedacht als rode draad, maar werd vervolgens het allesoverheersend fundament van de dansstukken van de gehele avond. Om dat fundament lijn en structuur te geven ging Scapino een samenwerking aan met de eeuwige rebel van het danstheater in Nederland, choreograaf én operaliefhebber, Hans Tuerlings. Nou heb je operaliefhebbers -die houden van alle opera, inclusief de Italiaanse- en Italiaanse operaliefhebbers -voor wie opera per definitie Italiaans is. Tuerlings is van het laatste slag, en in zijn keuze van de muziek regeren Bellini, Puccini en Verdi dan ook vanzelfsprekend.
‘Allo, ‘Allo
In ‘TWOOLS at the Opera’ zien we dan ook een ketting van veertien dans- en/of theaterstukken op evenzoveel operafragmenten, het één korter dan het andere, de één bekender dan de ander.
De invulling die de verschillende choreografen aan hun fragmenten hebben gegeven verschilt net zo als hun karakters en danskunstige achtergrond, en zo schieten we van een komische noot als een ‘Allo, ‘Allo-dialoog van twee dames in een café naar een ontroerend stuk waarin vijf paren een weemoedig duet als een estafettestokje van elkaar overnemen. En daartussendoor schiet er dan een beeld dat je in oud sovjet-realistische balletten à la Spartacus zou verwachten. Om dan weer te belanden in een stuk waarin mannelijke kracht en dynamiek zachte, hele zachte lijnen krijgt, middels het gebruik van gebaren uit de doventaal, waarvoor Tuerlings doventolk (en ex-danseres) Dido Mirck uitnodigde.
De liefhebber van echt post-modern danstheater kan zijn hart aan ‘Twools at the Opera’ ophalen. En het mooie ervan is, zoals dat hoort, dat de krankzinnige diversiteit in beeld, inhoud, vorm, stemmingsbeeld en ambachtelijke uitwerking voor de toeschouwer geen enkele andere keuze rest dan te focussen op waar het om gaat in de danskunst: de danser en zijn dans.
Maar voor het zover is, heeft de creatie -alweer zoals het hoort in de postmoderne wereld- nogal wat voeten in aarde gehad.
Breien
Hans Tuerlings: “Ik had dit bij geen ander gezelschap dan Scapino kunnen maken, want hier zitten geen dansers te breien.
Wat ik daarmee bedoel is dat er een open en nieuwsgierige geest in het gezelschap is waardoor de dansers meedenken, altijd bereid zijn het onbekende te verkennen en geduld en vertrouwen hebben. Je moet je voorstellen dat ze tegelijkertijd een heleboel kleine stukjes aan het creëren zijn terwijl er voor de danser geen overzicht is waar de puzzelstukjes aan elkaar passen. Die danser heeft dus ook geen enkel zicht op hoe hij zijn energie moet doseren. Het is erg warrig, er komt van alle kanten informatie op hem af, en pas op de middag voor de première is de puzzel compleet.
Met Hans Wap (ontwerper van de achterdoeken) en Pamela Homoet (kostuumontwerper) - allebei overigens ook operaliefhebber- was het overleg daarentegen uitzonderlijk kort. Ik had het idee uitgelegd en het antwoord: Ah, dan heb je de keuze tussen dit, dat, en dat. Klaar.”
Hans Tuerlings wist dat hij het niet makkelijk zou krijgen, want wél de muziek leveren, het script en scenario, de vormgeving voor decor en kostuums, de ideeën voor de overkoepelende spanningsboog, maar vervolgens de invulling van de dansstukken overlaten aan andere choreografen, dat is de moeilijkheden opzoeken. Zeker als je zoals hij zelf zegt: “mezelf de restrictie heb opgelegd om de autonomie van de kunstenaar te respecteren, of liever gezegd: ik heb met mijn fikken van hun choreografie af te blijven, wat mijn opinie ook moge zijn. Als het niet naar mijn smaak is heb ik pech. Nu is het gelukkig wel zo dat de meeste dansmakers het juist heerlijk vinden om af en toe vanuit een gestelde opdracht te werken. En ik gaf behoorlijk strikte opdrachten: dit is waar je vertrekt, dit is je muziek, en dit is waar het naartoe moet. De ene dansmaker krijgt het dan Spaans benauwd, de ander zie je helemaal opbloeien omdat het moeilijkste gedeelte van het vak choreograferen (begin en eindpunt bepalen en muziek kiezen) al gedaan is. Ed Wubbe vond dat prachtig en vond juist zijn vrijheid binnen die kaders. Ik had hem o.a. een stukje uit de Cavalleriana Rusticana gegeven van Pietro Mascagni, en hem verteld hoe zeer ik iedere keer kippenvel krijg van dit stuk in deze uitvoering. Hier is de beroemde operadirigent Sinopoli bezig, en de wetenschap dat hij aan het einde van deze opname een hartaanval krijgt en ten overstaan van het orkest van de bok zal vallen en sterven, daar lopen iedere keer weer de rillingen van over mijn rug. Zelfs zo dat ik er nooit zelfs iets op zou kunnen maken, het komt mij te dichtbij. In ‘TWOOLS at the Opera’ zit meer muziek die mij te dierbaar is om er zelfs iets op te maken, maar tegelijkertijd wel dolgraag op een danstoneel zou willen horen. De gelegenheid heb ik natuurlijk met beide handen aangegrepen.
En hoe Ed Wubbe die muziek met die achtergrondinformatie heeft opgepakt, wat hij daarmee heeft gedaan…dat had ik nooit kunnen verzinnen, zo prachtig, zo puur, zo subtiel.”
Aan dit soort prachtverhalen herkent men de echte operaliefhebber, dol op mystificatie, want het was niet Cavallarina Rusticana maar de derde acte van Aïda van Verdi die Giuseppe Sinopoli op 20 april 2001 in de Deutsche Oper te Berlijn aan het dirigeren was toen een plotse hartaanval hem velde.
Hans Tuerlings: “Hahaha, betrapt! Dat wist ik ook, maar ik heb het verhaal bewust gebruikt bij deze muziek om Wubbe te inspireren. Om theater te maken moet je soms liegen. In de politiek gebeurt niet anders.”





