De geschiedenis van een klassieke 'wereldhit'

091105083652_2177
© Hans Gerritsen

Rupert Tookey (de notenkrakerprins)

De Notenkraker van Marco Goecke


Elk jaar in december staat het ballet weer op het speelschema van diverse dansgezelschappen: de Notenkraker is uitgegroeid tot een echte kerstvoorstelling en vormt voor velen de allereerste theaterervaring.
Deze klassieker, die in december 1892 in het Mariinski-theater in St. Petersburg in première ging, markeerde de tweede samenwerking van componist Pjotr I. Tsjaikovski en Marius Petipa, directeur en hoofdchoreograaf van het keizerlijk ballet.

 

Dramaturge Anja von Witzler schetst de geschiedenis.

Het ballet

Petipa’s bewerking van de Notenkraker gaat aan deze veellagigheid voorbij. Hij verandert niet alleen de namen van de hoofdpersonen – Marie wordt Clara, het gezin heet nu Zilverboom – veel belangrijker is dat hij wezenlijke elementen uit het verhaal haalt. Het verhaal over prinses Pirlipat is verdwenen en daarmee ook de kunstige vervlechting van de niveaus van handeling. In Petipa’s versie speelt de eerste akte zich helemaal af in de echte wereld. Kerstmis wordt groots gevierd met familie en vrienden,  wat de gelegenheid biedt om diverse dansen in te lassen, zoals een kindergalop en de dans van de grootvader.  De raadselachtige Drosselmeier geeft Clara een notenkraker, die zij in de nachtelijke veldslag tegen de muizen dapper verdedigt. In de tweede akte, waarin de notenkraker Clara als beloning naar zijn ‘jamburcht’ brengt, komt Petipa met een tussenspel dat met het verloop van de handeling helemaal niets te maken heeft, maar wel is uitgegroeid tot een van de beroemdste nummers van het stuk: de Sneeuwvlokkenwals, waarin Tsjaikovski op sfeervolle wijze een koor inlast. Maar alle beweging die de in de wals uitgebeelde sneeuwstorm ook teweegbrengt, kan niet verhullen dat de handeling op dit moment geheel stilvalt. De dramaturgische onevenwichtigheid van De Notenkraker is al vele malen beschreven; in het eerste deel is het een ballet waarin de handeling wordt beschreven, waarna in het divertissement van het tweede deel, na aankomst van Clara en de notenkraker in het Land van Snoepgoed, het ene dansnummer na het andere wordt afgewikkeld. De dragers van de handeling in het eerste deel, Clara en de notenkraker, zijn min of meer gedegradeerd tot toeschouwers, Drosselmeier is helemaal verdwenen, en in plaats daarvan komt de prima ballerina, die in de eerste akte helemaal niet voorkwam, in slechts één nummer aan bod tijdens een grand pas de deux. Dat is deels misschien te wijten aan het feit dat de rollen van Clara en de notenkraker in de eerste uitvoering werden gedanst door studenten van de keizerlijke balletschool, die uiteraard nog niet beschikten over de techniek en virtuositeit van de flonkerende dansnummers in de tweede akte. Dit leidt er echter toe dat het ene tafereel geen enkele samenhang heeft met het volgende. Hoe boeiend de choreografieën van de Spaanse Dans, de Chinese Dans of de Bloemenwals ook zijn, er bestaat geen overtuigende motivering voor.
Petipa eindigt het stuk met de in die tijd gebruikelijke apotheose, waarin een symbolische bijenkorf wordt uitgebeeld. Hij neemt niet eens de moeite om de spanningsboog met de eerste akte te voltooien en Clara te confronteren met haar huis in de echte wereld. Deze droomdramaturgie, waarmee veel moderne uitvoerders van de notenkraker proberen de handeling psychologisch geloofwaardig te maken, was in het tsaristische Rusland onbekend. Tevens moet worden opgemerkt dat Tsjaikovski op instigatie van Petipa een partituur heeft geschreven die weinig ruimte biedt voor het dubbelzinnige, het raadselachtige.

De interpretatie

Hoffmann schildert met zijn verhaal spelenderwijs de spagaat tussen de naïeve kinderwereld en het rijk van het duistere onderbewuste. Hij laat de echte en de sprookjeswereld in zijn verhaal vloeiend in elkaar overlopen en zet daarmee de wetten van de logica volkomen op hun kop. Met Marie heeft hij een figuur met een uitzonderlijke persoonlijkheid en kracht gecreëerd.
Het opvallendst is de onverstoorbaarheid waarmee ze ondanks alle twijfels en de verstandige verklaringen van haar ouders volhoudt dat haar avonturen echt en niet gedroomd zijn. Met de helderziendheid waarmee wellicht alleen jongeren op de grens tussen hun kinderjaren en de volwassenheid zijn behept, houdt ze zelfbewust haar wereldbeeld overeind waarin werkelijkheid en fictie niet gescheiden zijn. Waar zij van droomt, wordt door haar wens werkelijk en waarachtig.
Aan de andere kant confronteert Hoffmann zijn heldin ook met verontrustende belevenissen. Zo gaat de ontmoeting met Drosselmeier voor Marie telkens gepaard met een soort irritatie. In feite hangt er een spanning in de lucht tussen Drosselmeier, zijn alter ego, de notenkraker en Marie, een symboliek met een seksuele lading.  Er is sprake van ‘scherpe instrumenten, die de kleine Marie behoorlijk pijn hebben gedaan’ en als ze een bloedvlek van de notenkraker afwrijft, warmt deze voelbaar op.
Hoffmann vertelt in zijn sprookje over de ontwikkeling van een meisje tot vrouw – uitmondend in de bruiloft van Marie en de notenkraker – en hij laat haar daarbij diverse ontwikkelingen doormaken waarin ze voor verwarrende en hachelijke situaties komt te staan.