Johann Sebastian Bach

Johann Sebastian Bach

Wie was Bach?
door Martin Bijkerk

Wie was Bach nu eigenlijk?
Het eerste portret dat altijd en overal weer opduikt is dat uit 1746, vier jaar voor zijn dood. Een strenge schoolmeester, met een vol vlezig gezicht, kijkt ons nors, enigszins fronsend aan, steekt de dikke onderlip sacherijnig iets naar voren en houdt het muziekstuk dat later in de BachWerkVerzeichnis nummer 1046 zal krijgen in de hand. Het schilderij is bewerkt, gerestaureerd, overschilderd.

Op een ander, veel minder bekend portret van Joachim Ernst Rentsch uit 1715 kijkt een dertigjarige man, met onmiskenbaar dezelfde neus en fysionomie, ons heel anders aan: de vriendelijke, intelligente ogen blikken zelfbewust en belangstellend de wereld in, de zinnelijke, welgevormde mond verraadt hartelijkheid en gevoeligheid, de aanzet tot een eerste onderkin toont een gezonde eetlust.
Welk schilderij het meest betrouwbare portret vormt blijft een raadsel.

Zo ontstellend als de muzikale productiviteit van Bach is geweest, zo weinig heeft hij aan ego-documenten nagelaten, de man lijkt zich achter de muziek te verschuilen.

Bach zelf typeerde zich liever als hardwerkend ambachtsman dan als goddelijk geïnspireerd genie, en wees altijd ijver en tucht aan als de oorsprong van zijn muziek.

In de typeringen komen altijd dezelfde elementen naar boven: een hardwerkend man, uitermate huiselijk, diep religieus en eerder verstandelijk dan emotioneel ingesteld, of in ieder geval beschikkend over een grote controle over lagere driften en hartstochten.

Van karakter heet hij vastberaden, koppig en opvliegend, maar ook beminnelijk, hulpvaardig en zorgzaam, en ook sensueel, (over-)gevoelig, een tikkeltje neurotisch, neigend naar het depressieve, zeker in de latere periodes van zijn leven.

Met diepe religiositeit wist hij meerdere ambivalenties in evenwicht wist te brengen en met hetzelfde gemak koppelde hij deze aan een joviale, prozaïsche humor.

Maar zo rimpelloos en immer evenwichtig als de oudere geschiedschrijvers het bestaan van Bach doen voorkomen is Bachs leven niet geweest. Behalve een vrouw heeft Bach ook tien van zijn twintig kinderen begraven, en dat heeft zijn sporen nagelaten.

Johann Sebastian Bach (1685-1750)
en de instrumentale muziek

De drie vioolconcerten en solo\'s voor viool en voor cello die in Perfect Skin opklinken, heeft Bach gecomponeerd in de periode dat hij hofkapelmeester was in Köthen (1717-1723).

De positie van hofkapelmeester, in zijn vak het hoogst haalbare, werd ook door Bach fel begeerd. Weliswaar ging het om het hof van het miniatuur-vorstendom Köthen-Anhalt (nog geen 10.000 onderdanen groot), maar de regerend jonge prins Leopold streefde desondanks naar een luisterrijk hofleven en investeerde gul in de muziek. De jonge prins was zelf een groot muziekkenner en enthousiast bespeler van het klavecimbel en de viola da gamba. Hij bood de 32-jarige Bach een riant jaarsalaris (de 400 taler zou nu een koopkracht van 150.000 gulden hebben), een hoge sociale rang, en breidde de hofkapel uit tot zeventien musici. De moeilijkheidsgraad van de Brandenburgse concerten uit deze jaren geeft aan dat de kapel een goed niveau bereikte.

Zoals de meeste calvinistische gewesten stelde het gereformeerde Köthen weinig prijs op veel muziek in de kerk. Het kleine orgel was daar de weerslag van. Dit maakte een einde aan de monumentale orgelwerken en de vele kerkcantates uit Bach's tijd vóór Köthen.
De periode-Köthen is dan ook de tijd van de vele instrumentale werken, waaronder de solo's voor viool, de solo's voor cello en de drie vioolconcerten in Perfect Skin.

In de instrumentale muziek bereikte Bach in de Köthen-periode een ongekende expansie in zowel de breedte als de diepte. In de breedte zien we in de concerten hoe Bach tegen de barok-traditie revolteert en met succes experimenteert met tot dan toe ongebruikelijke instrumenten-combinaties en klankkleuren. Hij gaat daarin zo ver dat hij bijvoorbeeld het klavecimbel, tot dan toe altijd begeleidend gebruikt, voor het eerst in de muziekgeschiedenis een triomfantelijke rol als solist toebedeelt.
Ook in de wijze waarop andere instrumenten soleren in die concerten creëert Bach tot dan toe ongekende rollen, zoals de twee violen in het geniale dubbelconcert voor viool (BWV 1043). Het vormt niet alleen een nieuw begin, maar ook meteen een ijkpunt voor het concertrepertoire.

In de diepte zijn het de twaalf werken voor viool en cello zonder enige begeleiding die blijven verbazen. Op het eerste, oppervlakkige gehoor lijken het oefeningen in virtuositeit. Maar al snel blijkt het, vooral in de vioolsolo's, niet om rijk en kunstig versierde monodie te gaan, maar om tot het uiterst geconcentreerde meerstemmigheid. Wat Bach op vier snaren weet waar te maken aan contrapunt en diep gewaarzijn van polyfonie is ongelooflijk.

De zes solo's voor viool (BWV 1001-1006) bevatten drie sonates en drie partita's. De sonates volgen het patroon van de sonata da chiesa (traag-snel-traag-snel). Eén sonate bevat zelfs een door Bach geliefkoosd gregoriaans thema, maar wat zo'n sonate in de liturgie zou moeten is onduidelijk. Zelfs in zijn wereldlijke werk bleef Bach uit de religie putten.

De partita's zijn vergeestelijkte dansen. Eén ervan, de beroemde Ciaconna is een ononderbroken ketting van variaties op een basthema van vier maten. Brahms noemde de Ciaconna een van de wonderbaarlijkste en onbegrijpelijkste muziekstukken, met op één notenbalk een wereld van diepe gedachten en gevoelens.
De zes suites voor cello solo (BWV 1007-1012), waarschijnlijk gecomponeerd voor hofkapel-cellist F.C. Abel, volgen het vaste patroon van prelude en dansen als allemande, bourrée, gavotte, courante, sarabande, immer afsluitend met een gigue.
De polyfonie vindt men ook veelvuldig terug in de dansen, maar traditioneler dan in de vioolsolo's.
De hand van meester Bach blijft overal aanwezig in de grote innerlijke rust die de cellosuites uitstralen.

Hoe vaak ze nu ook te horen mogen zijn, en door veel dansmakers dankbaar worden gebruikt, de cellosuites zijn lang vergeten geweest. In het begin van deze eeuw 'herontdekte' de cellist Pablo Casals ze in een bibliotheek.

2000

_-_media_-_persons_-_Bach-Kleur-WEB
Johann Sebastiaan Bach